Je zweeft in een medium dat zich gedraagt als iets tussen water en niets in — een visceuze stilte waarin thermische onrust tastbaar is als een constante, zachte trilling tegen je huid. Vóór je domineert een zweepdraadje van twintig micrometer het beeld: het flagellum van een choanoflagellaat, bevroren in een sinusoïdale S-boog die bijna de volledige breedte van je blikveld beslaat, omgeven door een spookachtig bewegingsspoor dat getuigt van de golfslag die er een fractie van een seconde geleden doorheen liep — want op deze schaal is viscositeit wat zwaartekracht elders is, en elke flagellaire slag is een zorgvuldig berekende strijd tegen de kleverige weerstand van het medium. Het cellichaam zelf hangt als een bijna kleurloze druppel in het blauwzwarte pelagische duister: zijn membraan zichtbaar alleen als een breking van het neerdalende blauwgroene licht in smalle interferentieringen van lavendel, goud en spookgroen, terwijl binnenin een grote bleke kern als een nevelige maan een derde van het cytoplasma vult en twee donkere voedingsvacuolen elk de samengedrukte contour van een halfverteerde bacterie omhullen. Rondom jou in het middenveld drijven twaalf staafvormige bacteriën in warmbeigeachtig amber, elk bevend op hun plaats door de Brownse beweging van de moleculaire chaos — niet zwemmend, niet vallend, maar simpelweg trillend in de drie dimensies van een wereld waar een bacterie groot genoeg is om een maaltijd te zijn.