Op ooghoogte zweef je over het oppervlak van een influenzavirion, een wereld zo klein dat een mensenhaar zich uitstrekt als een continent voorbij de horizon. Onder je golft een vloeibaar mozaïek van amber en warm goud — de lipide dubbellaag met zijn cholesterolrijke microdomains — terwijl om je heen honderden hemagglutininetrimeren oprezen als ivoren zuilen van dertien nanometer hoog, zo dicht opeen gepakt dat de smalle doorgangen ertussen slechts flarden van de onderliggende membraanvlakte onthullen. Verspreid tussen deze woud van eiwitkolommen staan de tetramere neuraminidases als gedrongen paddestoelen in diep zeegroen, hun brede hoofden rustend op slanke stelen, qua kleur en vorm opvallend afstekend tegen het omringende ivoor. Het medium om je heen is geen lege ruimte maar een dichte, lichtgevende nevel van opgeloste macromoleculen: serumalbuminebollen drijven voorbij als amberkleurige lantaarns, sinueuze glycoproteïneketens bewegen traag als doorzichtige kelp in een trage stroming, en de mist verdikt snel tot een opaalachtig wit waarbinnen individuele structuren al na enkele rijen zuilen oplossen in spookachtige silhouetten. Het licht is koud, diffuus en richtingloos — gefilterd door lagen opgelost eiwit en lipideaggregaten — en geeft elk glycoproteïneoppervlak een eigen zacht paarlen gloed in een wereld zonder hemel, zonder horizon, alleen dit intieme biologische woud dat wegdoemt in lichtgevende moleculaire mist.