Apocalyps van Indroging
Rotifers

Apocalyps van Indroging

De wereld die je betreedt is er een van wiskundige verstening: een droogvallend bodemkorst-landschap waar quartz-monolitieten van roosgrijs silica met ijzeroxidesporen als roestige littekens oprij­zen tot op wandelhoogte, en waar het amberkleurige licht zo laag invalt dat elke korrel een scherpe schaduw werpt zo diep als een ravijn. Boven je — en tegelijk naast je — hangt het lucht-waterraakvlak als een doorzakkend, gebogen spiegel van oppervlaktespanning, die het kiezelstrand in een visogeprojectie terugkaatst en goudkleurige caustieken over de kleipolygonen danst voor­dat het zich centimeter voor centimeter terugtrekt en een zouttijlijn achterlaat op de kwartsvlakken. In dit landschap staan drie gestalten als stations van een langzame catastrofe: de eerste rotifer nog vrijwel glashelder, cilindrisch en verticaal als een klein gebouw met gloe­iende interne organen zichtbaar door de lichaamswand; de tweede al half samengetrokken, zijn integu­ment gekreukeld tot perkament met matte opaciteit waar het syncytium zich van zichzelf heeft losge­maakt; de derde volledig een tun — een compact amber-bruin ellipsoïde nesteld tussen twee kwartskorrels, ononderscheidbaar van mineraal detritus, met daarbinnen een metabolisme dat geduldig als steen wacht. Biologie is geologie geworden, en de spiegel daalt nog steeds.

Other languages