Van vijf meter onder het dalende spookschip kijkt de blik omhoog in een indigo koepel die langzaam zijn licht verliest: het verlaten larvaceënhuis — een slappe mucineuze bol van nauwelijks veertig centimeter doorsnede — rimpelt en kreukelt asymmetrisch terwijl de inwendige druk wegvalt, één helft instortend in trage elegante plooien terwijl de andere zijde nog even haar koepelvorm vasthoudt. Waar het membraan nog strak staat, breekt het schuin invallende restlicht uiteen in iridesecente banden van violet, goud en blauwgroen die over het oppervlak glijden als zeepbelkleuren op een vallende bol; waar gecloggde deeltjes zich hebben opgehoopt, wordt de transparantie melkig en opaak, crèmekleurig en amberkleurig vertroebeld als aangeademd glas. Een diffractieve krans van blauwwit licht omzoont de gehele rand van de structuur, gevormd door de laatste indigo neerwaartse stralen die door het membraanrandje worden gebogen — een optisch verschijnsel dat het huis een ogenblik doet lijken op een gezonken maan. Rondom het inloopgaas aan de bovenzijde, een zakkend hexagonaal netwerk van slijmdraadjes bezaaid met fytoplankton en fecale spikkels, zweven copepoden ter grootte van een rijstkorrel met amberkleurige ogen en nauwelijks zichtbare antennes, terwijl tussen blik en huis een langzame neerwaartse sneeuw van detritus en mucieuze draden het watervolume zichtbaar en bewoond maakt — het geheel daalt zwijgend verder de lichtloze diepte in, een geplooide sluier die vastgelegd koolstof naar de bodem draagt.