Op drieduizend meter diepte, ver beneden elke herinnering aan licht, strekt de bodem van de Zuidelijke Oceaan zich uit als een bleekgrijs vlak van bijna onvoorstelbare ouderdom — een sediment opgebouwd uit honderd miljoen jaren van oppervlaktebloeien, laag voor laag neergedaald als stille sneeuw door de waterkolom. De kijker zweeft centimeters boven dit oppervlak en ziet de ronde silicaschijven van *Coscinodiscus*-frustulen schuin uit de brij steken, elk tachtig tot honderd micrometer breed, hun honinggraatpatroon van areolae nog intact bewaard in biogeen opaal — glasramen van een cel die allang dood is, maar waarvan de architectuur geologische tijd heeft overleefd. Daartussen liggen de verweerde fragmenten van *Eucampia*-ketens en pennaatvalven waarvan de randen zijn aangetast door het licht bijtende abyssale water net boven de lysoclien, zodat de grens tussen glas en sediment oplost in een kantwerkachtige gradiënt van verdwijnende structuur, terwijl witte foraminifeerkorrels als gebroken bouwwerken tussen het kiezelslib liggen. Uit meerdere punten in de brij pulseert een koud blauw bioluminescent schijnsel van bacteriële kolonies omhoog, dat de overlliggende frustulen van binnenuit verlicht en hun areolae voor een fractie van een seconde doet oplichten als glasvezelvensters, waarna het donker terugkeert en ver in de nevel een polychaet zijn onzichtbare tunnel graaft, een langzame bleke wolk van gebroken diatomeeënvalven omhoogstotend die, terwijl ze opwaarts drijven en even de bacteriële blauwe glinstering opvangen, voor één tel kleine koude lantaarns worden voor het duister ze verzwelgt.