In het absolute zwart van drie meter diep tropisch Atlantisch water verschijnt plots een structuur die bijna niet te bevatten is: een zestig centimeter lang lint van transparant geleiachtig weefsel, nauwelijks vier centimeter breed en dunner dan een speelkaart, dat zich door het duister beweegt in één traag sinusoïdaal golvend ritme alsof zijde in slow motion valt. *Cestum veneris* — de gordel van Venus — is zo optisch afgestemd op zeewater dat het dier zichzelf verraadt enkel via zijn vier kamrijen, structurele zomen die de volle lengte van het lichaam afzomen en pulsen met koud blauwgroen bioluminescentie: fotocyten die in sequentie ontbranden als lopende golven van 490-nanometer licht, de sinusoïdale flexing van het dier tracerend als vier neondraden in een verder ondoordringbare leegte. Dan raakt de zaklamp het lint recht van opzij, en wat latent verborgen zat in de mechanische microstructuur van duizenden slaande trilhaartjes — elk trilhaarplaatje een bewegend diffractierooster van 100.000 gebundelde cilia — explodeert in een volledig spectrum: rood vloeit in oranje, in goud, in kobalt, in violet, een schuivende regenboogcascade die in golven van oraal naar aboraal eindpunt trekt met een slagfrequentie van vijftien tot vijfendertig hertz. Het dier zweeft het licht door en keert terug in het niets, zijn vier bioluminescente lijnen langzaam vervagende als de enige getuigenis van een ontmoeting met een organisme dat voor bijna honderd procent uit zeewater bestaat en toch zichtbaar is als levend licht.