In het blauw-groene water voor je bevindt zich een trilregel: een continue, golvende spiegel die het hele gezichtsveld van links naar rechts doorkruist, waar twee watermassa's van verschillende temperatuur en dichtheid tegen elkaar aan schuiven en het licht breken als een horizontale lensvervormde hitte. Precies op deze grens zweven drie *Mnemiopsis leidyi*, elk vijf tot acht centimeter van nagenoeg perfect doorzichtig mesogloa — bindweefsel dat voor meer dan vijfennegentig procent uit water bestaat en waarvan de brekingsindex zo nauw aansluit bij zeewater dat de thermoclineschemering dwars door hun lichamen heen loopt en er aan de andere kant licht vervormd weer uitkomt. Langs elk lichaam trekken acht rijen ctenen — samengestelde trilhaarplaten die in antiplechtische metachorale golven slaan — langzame rollende sweeps van structurele kleur door het gefilterde middaglicht: karmozijn schuift naar amber, amber naar zuurgroen, groen naar indigo, in minder dan een seconde de volledige zichtbare spectrum afleggend via diffractie aan de nanoscopisch fijne trilhaarstructuren. Beneden de schimmergrens verdikt het water visueel tot een olijfgroen schemerschemer vol marinesneeuw en bezinkseltjes, en daartussen flonkeren dozijnen oranje-rode vlekjes — copepoden die zich ophopen langs de dichtheidssprong — terwijl de orale lobben van de ctenoforen omlaag hangen in die koudere, prooidichte zone en met hun trilharen een opgaande stroom creëren die de microscopische kreeftachtigen naar binnen leidt.