Je ziet het binnenste van een proton als een dicht, ambergoud veld van samengeperste partonstromen en gluonfilamenten, geen vaste materie maar een woelige knoop van veldenergie en quantumfluctuaties. Rechts nadert een tweede proton als een afgeplatte, goudwitte schijf die de hele horizon vult; op het contactpunt ontploft de botsing in een verblindende witte flits, precies waar de sterke interactie de energie van de deeltjes herschikt. Daaruit schieten twee tegenover elkaar gerichte, blauw-witte jetkegels weg, gevuld met fragmenterende partons die razendsnel hadroniseren tot honderden fonkelende deeltjes, terwijl zachtere resten als rood-oranje nevel naar buiten waaieren. Rondom gloeit het kortstondig geïoniseerde vacuüm als een koude blauwe waas die even alles omhult en dan wegzakt in het donker, zodat je je tegelijk midden in een gebeurtenis van onvoorstelbare hevigheid en in een bijna lege, trillende ruimte waant.