Je ziet een gloeiende kern van ijzer, opgezwollen tot een pulserende bol van amber en goud die langzaam in helderheid ademt. Rond de kern ligt een dichte pionwolk als een dikke, korrelige corona: korte witte bogen schieten vanuit het oppervlak naar buiten, buigen een fractie van een femtometer weg en verdwijnen weer in de haze of worden opgeslokt door naburige nucleonen. Het oppervlak zelf is niet scherp maar plastisch en levend, met donkere naden en warm oplichtende ribbels die de clustering van nucleonen verraden, alsof je naar gesmolten gesteente kijkt dat door onzichtbare druk wordt samengehouden. Buiten de wazige rand van de hadronische wolk valt het licht weg in diep indigo, een stille, vacuümachtige duisternis waarin de kern als een compacte zon blijft trillen.